Blaadje
© Damon Educatie
Login

Paragraaf 7Opdracht 41 Oefentoets

Open vragen

1. Geef een omschrijving van sport.

2. Is pannavoetbal sport? Licht je antwoord toe. 

3. Wat is breedtesport? Licht je antwoord toe.

4. Noem drie kenmerken van een zinvolle bezigheid. 

5. Noem vier belangrijke Fair Play-waarden.

6. Fair Play geldt ook voor trainers, scheidsrechters en toeschouwers. Leg dat uit.

7. Veel van de sporten zijn in Nederland ontstaan aan het einde van de 19de, begin 20ste eeuw. 

8. Waarom sporten jongens en meisjes? 

9. Een argument vóór het toelaten van dopinggebruik in de sport is: de vrijheid van de sporter. Leg dit uit.

10. Een argument vóór het toelaten van dopinggebruik in de sport is: dopinggebruik in de sport kun je niet tegenhouden. Leg dit uit.

 

Multiple-choice vragen

Geef aan of de volgende uitspraken goed of fout zijn. Let op: alleen ‘goed’ of ‘fout’ noteren!

1.     ‘Tijdens de wedstrijd ben ik mezelf niet meer.’ Deze uitspraak heeft te maken met de levensvraag: ‘wie ben ik?’ 

2.     Een voorbeeld van topsport: de Olympische Spelen.

3.     Alle sporten hebben een doel. 

4.     Sport en zingeving gaan niet samen.

5.     Fair Play wil letterlijk zeggen: speel eerlijk!

6.     Voor vrouwelijke sporters is het gemakkelijker uit de kast te komen dan voor mannelijke sporters. 

7.     Een meerderheid van de homo’s en lesbiennes is lid van een homo/lesbische sportclub. 

8.     Een voorbeeld van doping is APO. 

9.     Doping is bij veel sporten verboden.

10.  Voorbeeld van doping: een voedingssupplement.

 

Antwoorden open vragen

1. Lichamelijke vaardigheden die in wedstrijdvorm worden getest, met regels en een organisatie.

2. Pannavoetbal is een lichamelijke activiteit. Er is sprake van competitie en er zijn regels, hoewel die niet door een organisatie zijn vastgesteld. Er is ook geen officiële organisatie. Conclusie: pannavoetbal neigt meer naar ‘spel’ dan naar ‘sport’.

3. Breedtesport is sport op een lager niveau. Mensen doen het in hun vrije tijd. Ze verdienen er geen of weinig geld mee.

4. - Je kunt een aantal waarden kwijt in die bezigheid.
-  Je hebt heel sterk het gevoel dat die bezigheid iets van jou is.
- Die bezigheid geeft jou een fijn gevoel.

5. Eerlijkheid, sportiviteit, gezondheid en respect voor tegenstander en scheidsrechter.

6. De trainer (of: coach) geeft het goede voorbeeld. Hij scheldt nooit tegen zijn spelers of tegen de scheidsrechter.
De scheidsrechter trekt nooit een team voor. Hij fluit eerlijk.
Toeschouwers mogen de grensrechter niet intimideren, slaan of schoppen.

7. - vrouwen beschikten niet over de lichamelijke kenmerken die nodig zijn voor sport. Sport paste niet bij de ‘vrouwelijke natuur’;
- vrouwen hadden hun energie nodig voor het moederschap; 
- men vond dat sporten niet paste bij de schoonheid van de vrouw.

8. Voor hun gezondheid en schoonheid. 

9. Een sporter is een vrij mens. Hij heeft het recht om zelf te beslissen over wat goed is voor zijn gezondheid. In onze samenleving mag je eten en drinken wat je wilt, ook als dat leidt tot een ziekte. Alcohol tast bijvoorbeeld je lever aan. Als je te veel alcohol drinkt, kun je zelfs dood gaan. Toch mogen volwassenen daarvoor kiezen. Je mag doen en laten wat je wilt, zolang je anderen geen schade toebrengt.

10. Steeds blijkt weer dat er doping wordt gebruikt in de sport. Het is niet te voorkomen. Dopinggebruik kun je niet uitroeien. Waarom zou je het dan willen stoppen? 

 

Antwoorden meerkeuze vragen

1g, 2g, 3g, 4f, 5g, 6g, 7f, 8f, 9g, 10f.