Paragraaf 5Opdracht 29
Maak deze opdracht op een apart blaadje.
Lees eerste de tekst van Thijs op bladzijde 93 van het leerboek.
Thijs zat op voetbal. Hij stopte op zijn zestiende. Hij vond voetbal nog steeds leuk, maar voelde zich alleen in zijn team. Hij kon niet meepraten over meisjes. Hij werd er eenzaam van.
De teamgenoten van Thijs waren niet negatief over homoseksualiteit. Ze spraken vaak over meisjes. Ze hadden niet in de gaten dat dat moeilijk was voor Thijs. Hij heeft een andere seksuele voorkeur. En hij vond dat misschien lastig om te zeggen, uit angst niet geaccepteerd te worden.
Soms komt het voor dat sporters wel opmerkingen maken over homoseksualiteit. Bijvoorbeeld schelden met woorden als ‘homo’ of ‘mietje’. Of bepaalde grappen die gemaakt worden over homoseksualiteit in de kleedkamer. Belangrijk is dan hoe een trainer of begeleider daar mee omgaat. Laat hij dat gebeuren of zegt hij er iets van?
Opdracht: voer een gesprek met een trainer of coach van een team bij een sportclub. Het moet een team zijn in de leeftijdsgroep tussen tien en achttien jaar. En niet het team waar je zelf deel van uitmaakt maar een team dat je niet kent.
Bespreek onder andere de volgende kwesties:
- worden er wel eens opmerkingen gemaakt over homoseksualiteit in het team?
- voorbeelden van deze opmerkingen?
- wanneer worden deze opmerkingen gemaakt?
- waar worden deze opmerkingen gemaakt?
- wordt de trainer/coach zelf geraakt door dat soort opmerkingen?
- hoe gaat de trainer/coach om met deze opmerkingen?
- vindt de trainer het lastig om met deze kwesties om te gaan?
Voeg er zelf nog andere vragen aan toe.
Je maakt op een apart blaadje een verslag. Op het einde van het verslag schrijf je ook wat je vooral geleerd hebt van dit gesprek.